by /0 comments

Rustenburg-Oostbroek van 1940 tot 1950

Hieronder vindt u het verhaal van ‘Ab’ over de bezettingstijd. Dit stukje is overgenomen uit het boek ‘Rustenburg-Oostbroek / Wijk in beweging’, geschreven door Bert van Hoek, juni 2005.

Geleidelijk aan kregen ze steeds meer hinder van de Duitse bezetting, daar in de Zuiderparkbuurt. Vaak loeiden de sirenes voor luchtalarm, en de verduistering gaf ook problemen. De ramen moesten ’s avonds goed verduisterd kunnen worden, opdat de overvliegende geallieerde vliegtuigen geen stad konden herkennen. De straatverlichting was uitgeschakeld en het was dan ook knap donker als je ’s avonds over straat moest. De knijpkat mee, een zaklantaarn die niet op batterijen werkte, maar licht gaf door er telkens in te knijpen. Je moest wel voorzichtig zijn met naar buiten gaan, want na 8 uur was het ‘spertijd’ en mocht je niet meer buiten zijn. Alleen mensen die per se in spertijd buiten moesten zijn, kregen daarvoor een speciale vergunning, een Ausweis.

Op allerlei gebied ontstonden tekorten. Wel was het in 1942-43 nog mogelijk mosselen te  mosselen te kopen bij Scheveningse vrouwen die ’s zaterdags om twee uur met een handkar op het Monnikendamplein stonden, in klederdracht nog wel. Je moest er wel een tijdje voor in de rij staan.

Toen er geen elektriciteit meer was en de kaarsen op raakten, maakten ze gebruik van ‘drijvertjes’: een glas water met een dun laagje olie erop en een pitje van katoen dat, aangestoken, een beetje licht gaf. Voedsel was schaars en op de bon, fietsen reden met houten ‘banden’ als ze al niet door de Duitsers in beslag waren
genomen. Kortom, het was allemaal kommer en kwel. Het voedsel dat de gaarkeuken in de Weesperstraat verschafte was altijd grijs van kleur, smaakte nergens naar en diende alleen als maagvulling. Ook het weinige brood was grauw, zoals het hele leven. Het werd steeds erger. Een buurman een eindje verderop lag met een door hongeroedeem opgezwollen lichaam in bed. Hij haalde het eind van de oorlog niet. Ab viel een keer flauw van de honger op de Dierenselaan en moest in het halletje van een winkel eerst weer bijkomen om daarna met moeite weer thuis te kunnen komen.

Een vriendje van Ab en zijn zusje kregen drie keer per week van het IKB, het Inter Kerkelijk Bureau, een warme maaltijd in de school aan de Weesperstraat. Na een tijdje werd je lichamelijk herkeurd om te zien of het bijvoeden nog nodig was. Merkwaardig genoeg verviel toen de extra voeding voor het zusje, maar broerlief viel zes in plaats van drie keer in de prijzen!

Grote indruk maakte het neerstorten van een V2 in de Indigo-straat, op nieuwjaarsdag 1944 om een uur of vier ’s middags. Aan het geraas van het opstijgen waren ze al gewend. Erger was, als het geluid plotseling wegviel. Dan, wisten ze, stopte de aandrijving van de raket en stortte de vliegende bom ergens neer. Zo ook die dag op de hoek van de Kamperfoelie- en de Indigostraat. 20 huizen werden verwoest en 56 zwaar beschadigd. 24 mensen kwamen om het leven. Die raketten werden onder andere vanuit het Sperrgebiet aan de kust afgevuurd en waren op Londen gericht.

Niettemin waren er, toen de hongerwinter nog niet op z’n ergst was, voor de kinderen nog wel spannende avonturen te beleven. Zo had Ab de opdracht overal vandaan brandstof voor het noodkacheltje, de majo, te halen. Met een karretje achter zich aan was hij overal te vinden waar de mensen hout bemachtigden: bomen werden gekapt en in stukken verdeeld, waarbij kinderen als Appie meestal genoegen moesten nemen met de overblijvende takken. Ook asfaltbrokken en sintels langs de tramrails wilden wel branden, hoewel niet echt goed.

En … er lag een heel sloopterrein bloot in de Vogelwijk, die geheel verlaten was, omdat dit Sperrgebiet was. De Duitsers hielden rekening met een geallieerde landing op onze kust en de wijk langs de kust moest geheel ontruimd zijn.

Veel huizen werden afgebroken en ramen, deuren, kozijnen en wat niet al werden naar de Soestdijksekade gebracht en daar, ook voor Ab’s huis, opgestapeld. Waarom daar? Vanaf de kade werd al het sloopmateriaal op boten geladen en afgevoerd. Waarheen is hem nooit duidelijk geworden. Naar Duitsland, zei men. Het zal wel. De bewoners van de Soestdijksekade deden wel hun best zoveel mogelijk hout van de kade in huis te halen, want het was natuurlijk wel gratis brandstof. Toen Ab’s moeder de waker die over de kadevoorraad moest waken, binnen- haalde voor een kop koffie, sleepten Ab en zijn vader stiekem zoveel mogelijk gegapt hout door de gang naar binnen.

Eén keer dreigde echt gevaar. Er werd zo massaal hout weggesleept dat de wakers machteloos waren. Een overvalwagen met Duitse soldaten verscheen, ze sprongen eruit, losten een paar salvo’s in de lucht en in minder dan een minuut was de kade geheel verlaten. Alle ‘dieven’ waren de benedenhuizen binnengevlucht.

De hongerwinter brachten Ab en zijn moeder door bij haar familie in Friesland. Dus toch nog terug naar haar ‘roots’. Kort na de bevrijding, zodra ze een vergunning kregen om te reizen, gingen moeder en Ab terug naar Den Haag, waar vader achtergebleven was omdat hij anders zijn baan zou zijn verloren. Hij had het overleefd, mede dankzij de extra distributiebonnen van moeder en Ab, die ze bij hem hadden achtergelaten.

De wederopbouw kon beginnen, evenals de verdere ontwikkeling van Rustenburg-Oostbroek.

Apeldoornselaan2
Hoek Apeldoornselaan en Loosduinsekade
« 1 van 6 »

  Post comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *